Net als ik naar bed wil gaan hoor ik gestommel. Mijn mond valt open: het zijn mijn twee dochters in pyjama op zoek naar een zaklamp. Iris is het beu. Voor de tweede nacht wordt ze uit haar slaap gehouden door ijzingwekkend gegil. “Ik wil nu weten wat er aan de hand is”, stelt ze daadkrachtig. Kijk, daar ben ik voor in! Jassen aan en de tuin in. Het blauwe spooklicht van de maan en lange schaduwen maken het Harry Potter-decor compleet.

Het gekrijs is hels en schel en scheurt de stilte van de nacht. Jonge ransuilen schreeuwen om hun ouders: “Hier zit ik, kom me voeden en snel!”. Op het bankje bovenop de heuvel bij de vijver wachten we. Het duurt enige tijd voordat de ouderuil door de nacht komt aanglijden. Dat vliegen heeft iets magisch. Dankzij de zachte, wat rafelige, randen van de slagpennen is de vlucht volkomen geruisloos. Een schril contrast met het gegil. Als de uil weer weg is lijkt het alsof we het gedroomd hebben. “Terug naar bed”, commandeer ik. We zijn onder de indruk van wat we zagen en zeggen niet veel meer. Iris kan het gegil nu een plek geven en klagen doet ze al helemaal niet meer.

Een kleine tien jaar geleden kwam ik in deze buurt wonen. Elke tuin in de buurt was ruim voorzien van de woekerende reuzenberenklauw. Elke buurman wist ook precies wie de schuldige hiervan was. Dit was overigens steeds een andere buurman, tot de cirkel rond was.

Ik vond het belangrijker de berenklauw terug te dringen. Vroeg in het groeiseizoen trok ik ze stelselmatig met wortel en al uit. Mijn volhardendheid had succes. Op één plek mochten ze hun gang gaan. Als ik me even omdraaide leken ze al weer gegroeid. Drie meter halen ze makkelijk.

Prachtig is de bloei. Grote vertakte witte bloemschermen als paraplu’s in de top. Maar waar ging het mis? Krantenartikelen brullen elk jaar over het gevaar van de berenklauw. Aanstellerige artikelen, vond ik dat. Het is de fytofototoxische reactie: het gifstof in de stengel in combinatie met zonlicht dat leidt tot enorme en slecht helende ontstekingen.

Ook ik had wel eens een flinke blaar met veel vocht. Maar de keer dat ik in mijn korte broek op een zonnige dag de berm ontdoe van de uitgebloeide, zaaddragende berenklauwen pakt rampzalig uit. Het sap heeft flink op mijn been gespat en de zon doet de rest. Het wondvocht loopt uit de wel vijf centimeter grote blaren mijn schoenen in. Ik kan mijn sokken uitwringen. De ontstekingen maken er benen van een melaatse van. Een flinke penicillinekuur krijgt de boel er tenslotte onder. Vanaf dat moment ben ik alert. Door jaren heen heb ik echter een extreme gevoeligheid opgebouwd. De kleinste aanraking volstaat. Een verborgen berenklauw in het gras en de aanraking van het maaisel, of het trekken van onkruid en een verstopt exemplaar en het is goed mis. Elk jaar enorme blaren en ontstekingen die rode strepen op mijn arm trekken. Herhalende penicillinekuren. De angst zit er goed in, maar mijn bewondering voor de schoonheid wordt er niet minder om. De afstand wel groter!

Toch weerhoudt het mij er niet van om ‘s winters van de hoornige stammen bouwwerken te maken. Een feest om de koolmezen er voedselzoekend en duikelend in rond te zien neuzen. Het zal iets zijn van veel haat en veel liefde.